Eeuwenlang deed men dat met primitieve hulpmiddelen, door middel van hand- en lichaamskracht, later door rosmolens (met paardekracht dus)
|
of op waterradmolens. In een later stadium ontstond de windmolen, die in ons vlakke, winderige land veel opgang deed. Dit deed de vraag naar deze molens stijgen en hieruit volgde weer een gunstige uitwerking op de technische ontwikkeling van de windmolen. Daardoor werd zij ook voor steeds meer andere zaken, dan graan malen aangewend. Men pelde er gerst mee tot gort; destijds een bijna dagelijks gebruikt volksvoedsel. Men zaagde de boomstammen ermee tot balken, planken en latten. Zij maakten papier, zij sloegen olie uit de oliehoudende zaden zoals lijnzaad en raapzaad. Specerijen werden er gemalen en mosterd gemaakt. De volmolens bewerkten weefsels tot ons beroemde laken. Hennepkloppers bewerkten de stengels van hennep zodanig dat zij gebruikt konden worden voor de fabricage van touw en zeildoek. Het is dus niet onbegrijpelijk dat vele huidige industrieën hun oorsprong in het molenbedrijf vonden. Als voorbeeld hiervan moge de Zaanstreek dienen, waar de vele molens aan de basis stonden van de huidige nijverheid in deze streek. En wat wij vooral niet moeten vergeten is dat het de molens waren die de grote meren, zoals Beemster, Purmer, Schermer e.d. droogmaalden en dat zij nog vrij recent de "waterhuishouding " van Nederland regelden. Het is nauwelijks voor te stellen dat er een periode was dat er zo'n 9000 molens tegelijk aanwezig waren. Nu zijn er nog maar een kleine duizend windmolens over. De oorzaken van deze teruggang zijn vele, maar de voornaamste is de komst van andere, nieuwe bronnen van drijfkracht: de stoommachine en verbrandings- en electro-motoren.
|



