Poldermolens
Rond 1200 werd door de bisschoppen van Utrecht en de graven van Holland begonnen met de ontginning van het laagveen-moeras in het gebied tussen de huidige steden Amsterdam - Leiden - Utrecht.
Door sloten te graven die het overtollige water deed wegvloeien, kon men met natuurlijke lozing het nieuwe land in cultuur worden gebracht. Doordat veengrond bij ontwatering de eigenschap heeft om in te klinken, kwam men rond 1400 in de problemen omdat de natuurlijke waterafvoer steeds meer ging stagneren. Vanaf die tijd kwamen wipmolens in gebruik, die het water met een door de wind aangedreven scheprad omhoog konden brengen. De wipmolen is ontstaan uit de toen bekende constructie van de standerdmolen. Door deze technische ingreep was men ook in staat om het waterpeil in diepere delen (polders) op een kunstmatig niveau te houden. In deze tijd ontwikkelde zich naast het landsbestuur ook de waterschaps-organisatie om het gewonnen land voor de voedselproductie in stand te houden.
